Met deze werkvorm kiezen kinderen ideeën door ze in te delen in groepen via de kleuren groen, rood en eventueel oranje.
Verloop
1. De kinderen krijgen de verschillende ideeën en de criteria waaraan het gekozen idee moet voldoen.
2. De leerlingen plaatsen ieder idee in één van de lichten van het verkeerslicht:
- groen: goed idee, hier gaan we mee verder!
- oranje: niet goed, niet slecht, we twijfelen...
- rood: slecht idee, hier stopt het!
Ze beargumenteren hun keuzes
3. De leerlingen bespreken de gekozen ideeën
Organisatie
Materialen en benodigdheden
- Verkeerslicht (afbeelding of fysiek exemplaar bv. 3 hoepels)
Tips en aandachtspunten
- Je kan de ideeën waar ze uit moeten kiezen ook visueel maken door een tekening, foto, voorwerp ...
- Het bespreken van de gekozen ideeën kan ondersteund worden via criteria.
Alternatieven
Groene of rode bol
- De kinderen hangen een groene bol op het idee waar ze mee verder willen werken en een rode bol op het idee dat niet voldoet aan hun interesse of aan de criteria.
(Materialen: ronde groene en ronde rode stickers)
Groene of rode balpen
- De kinderen stoppen een groene balpen in de lucht bij het idee waar ze mee verder willen werken en een rode balpen bij het idee dat niet voldoet aan hun interesse of aan de criteria.
(Materialen: groene en rode balpen)
Groen of rood kleuren
- De kinderen kleuren op een 'stemformulier' met de verschillende ideeën, één of meerdere ideeën die ze goed of leuk vinden groen. Eventueel kleuren ze één of meerdere ideeën die ze helemaal geen goed idee vinden rood. Oranje kan bijkomend gebruikt worden voor ideeën waarover ze twijfelen.
(Materialen: kleurpotloden)
De leerkracht bespreekt samen met de kinderen de staafgrafiek met de gekozen ideeën voor de inrichting van een snoezelhoek in de klas. De toppers worden één voor één overlopen, waarbij de kinderen nadenken over twee criteria:
- passend voor de snoezelhoek;
- kunnen we kosteloos realiseren.
De kinderen maken voor ieder idee hun mening over de beide criteria duidelijk via een groen (passend - kan kosteloos) of een rood (niet passend - kan niet kosteloos) potlood in de lucht te steken. De leerkracht gaat op basis hiervan in gesprek met de kinderen.